- +  
 

Draaien

  • Een draaibeweging in een formule slaat altijd op een zijde van de kubus en nooit op de kubus als geheel.
  • Alle zijden van de kubus kunnen in 2 richtingen worden gedraaid, met de klok mee en tegen de klok in. Plaats daarbij in gedachte een klok op een zijde van de kubus waarbij je van buitenaf tegen deze zijde aankijkt.
  • Het draaien wordt aangegeven door een afkortingsletter met daarbij of a) het +teken voor een kwartslag met de klok mee of b) het -teken voor een kwartslag tegen de klok in of c) het cijfer 2 voor een halve slag, hierbij is de draairichting niet belangrijk.
  • Als achter elkaar 2 draaibewegingen van tegenover elkaar liggende vlakken moeten worden uitgevoerd, dan mogen deze verwisseld worden. L+ B2 O- geeft hetzelfde resultaat als L+ O- B2, omdat de vlakken B (boven) en O (onder) tegenover elkaar liggen. Maar B2 L+ O- geeft een ander resultaat dan O- L+ B2, omdat B2 en O- niet achter elkaar worden uitgevoerd.
  • Als je een zijde wilt draaien terwijl je niet naar deze zijde kijkt, let bij een kwartslag dan extra goed op de draairichting omdat de kans bestaat dat je de verkeerde kant op draait.
Voorbeelden:
  • V+ voorzijde 1 kwartslag met de klok mee
  • R- rechterzijde 1 kwartslag tegen de klok in
  • B2 bovenzijde 2 kwartslagen (richting niet belangrijk)